Het vak

Rekenen

Van uitrekenen naar weten. Sommie oefent met je kind: rekenen uit je hoofd. 8 minuten per keer, 3 keer op een dag, en dan gaat het op slot tot morgen. Geen meerkeuze, geen advertenties, en bij elke fout de uitleg.

55 treden105 blokken1202 feiten

Sommie

Uit de app zelf

Niet alleen wát, ook hóé

Bij elke som, elk woord en elke plek hoort één manier om hem te doen. Die komt langs vóór de sessie, tijdens de vraag als je vastloopt, en nog een keer na een fout. Dit zijn er vier, letterlijk zoals je kind ze krijgt.

rekenen uit je hoofd

Samen tien

Vrienden van tien

7 + 3 = 10

Zo doe je het

  1. Kijk welk getal er staat.
  2. Zoek het getal dat er samen tien van maakt.
  3. Leer de twee als vast paar.

Rekenen

Wat erin zit

Elk domein, elk onderdeel en elke trede, rechtstreeks uit het bestand waar de app zijn vragen uit haalt. Een korte starttoets zet je kind op de goede hoogte. 55 treden · 105 blokken · 1202 feiten.

Getallen

Plus & min

  1. 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    Vanaf groep 3 · 53
  2. 2Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
    • Dubbelen en helften
    Vanaf groep 3 · 24
  3. 3Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
    • Splitsen tot twintig
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    Vanaf groep 3 · 42
  4. 4Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    Vanaf groep 3 · 24
  5. 5Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
    • Sprongen van tien en één
    • Plus tot honderd
    • Min tot honderd
    • Aanvullen tot een tiental
    Vanaf groep 4 · 60
  6. 6Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
    • Plus over het tiental
    • Min over het tiental
    Vanaf groep 4 · 24
  7. 7Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
    • Plus met tientallen én eenheden
    • Min met tientallen én eenheden
    Vanaf groep 5 · 24
  8. 8Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
    • Plus tot duizend
    • Min tot duizend
    • Verschil: doortellen
    Vanaf groep 5 · 36
  9. 9Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
    • Plus met grote getallen
    • Min met grote getallen
    Vanaf groep 6 · 24
Getallen

Keer & delen

  1. 1De eerste tafels1, 2, 10 en 5 — de tafels waar je de rest uit afleidt.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    Vanaf groep 4 · 40
  2. 2De tafels van 3 en 4Via herhaald optellen en via dubbelen: 4 × 6 is het dubbele van 2 × 6.
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    Vanaf groep 4 · 20
  3. 3De moeilijke tafels6, 7, 8 en 9 — de tafels die je uit de makkelijke haalt.
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    Vanaf groep 5 · 40
  4. 4De eerste deeltafelsDelen door 2, 10, 5, 3 en 4 — het omgekeerde van de tafels die je kent.
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • Deeltafel van 5
    • Deeltafel van 3
    • Deeltafel van 4
    Vanaf groep 5 · 50
  5. 5De moeilijke deeltafelsDelen door 6, 7, 8 en 9.
    • Deeltafel van 6
    • Deeltafel van 7
    • Deeltafel van 8
    • Deeltafel van 9
    Vanaf groep 5 · 40
  6. 6Keer én delen door elkaarAlle tafels en deeltafels, in één rij door elkaar.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • +7
    Vanaf groep 6 · 190
  7. 7Keer een groter getalSplits het getal in tientallen en eenheden: 3 × 67 is 180 + 21.
    • Keer een groter getal
    Vanaf groep 5 · 12
  8. 8Grote tafelsDe tafels van 11, 12, 20, 25 en 50.
    • Grote tafels
    Vanaf groep 6 · 12
  9. 9TientaltafelsKeer met tientallen en honderdtallen: 3 × 60, 100 × 14.
    • Tientaltafels
    Vanaf groep 7 · 12
  10. 10Verder met delenDelen met tientallen, delen door te splitsen, en delen met rest.
    • Delen met tientallen
    • Delen door te splitsen
    • Delen met rest
    Vanaf groep 7 · 36
Getallen

Cijferen

  1. 1Cijferend optellen en aftrekkenDe som onder elkaar, met onthouden en lenen.
    • Cijferend optellen
    • Cijferend aftrekken
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Cijferend keer en de staartdelingTwee regels onder elkaar, en de deling hap voor hap.
    • Cijferend vermenigvuldigen
    • De staartdeling
    Vanaf groep 7 · 12
Verhaalsommen

Welke som hoort erbij?

  1. 1Welke som hoort erbij?Samen, eraf, per stuk, verdeeld over — het woord verklapt de som.
    • Welke som hoort erbij?
    Vanaf groep 5 · 16
Verhaalsommen

Plus & min in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: plus en minEen som die in een verhaal verstopt zit. Lees, zoek de getallen, zoek het woord.
    • Verhaalsommen: plus en min
    Vanaf groep 5 · 11
Verhaalsommen

Keer & delen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: keer en delenPer stuk, in elke doos, verdeeld over — en dan uitrekenen.
    • Verhaalsommen: keer en delen
    Vanaf groep 6 · 11
  2. 2Verhaalsommen in twee stappenEerst het totaal uitrekenen, dan pas de vraag beantwoorden.
    • Verhaalsommen in twee stappen
    Vanaf groep 7 · 6
Verhaalsommen

Meten in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met matenMeters naar centimeters, kilo naar gram — de maattrap in een verhaal.
    • Verhaalsommen met maten
    Vanaf groep 6 · 2
Verhaalsommen

Geld en tijd in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met geldWat kost het samen, en hoeveel krijg je terug?
    • Verhaalsommen met geld
    Vanaf groep 6 · 2
  2. 2Verhaalsommen met tijdHoe lang duurt het samen, en hoeveel blijft er over?
    • Verhaalsommen met tijd
    Vanaf groep 6 · 2
Verhaalsommen

Verhoudingen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met verhoudingenPer kilometer, per stuk — van één naar veel en weer terug.
    • Verhaalsommen met verhoudingen
    Vanaf groep 7 · 2
Verhoudingen

Breuken

  1. 1Breuken herkennenWelk deel is gekleurd? Je schrijft de breuk zelf op.
    • Breuken benoemen
    Vanaf groep 5 · 20
  2. 2Deel van een geheelDe helft, een kwart, een tiende — van een getal.
    • Breuken benoemen
    • Deel van een geheel
    Vanaf groep 6 · 32
  3. 3Breuken vereenvoudigen, optellen en aftrekken2/4 is 1/2, 7/4 is 1¾, en 1/4 + 2/4 is 3/4.
    • Breuken vereenvoudigen
    • Helen eruit halen
    • Breuken optellen
    • Breuken aftrekken
    Vanaf groep 6 · 64
  4. 4Breuken keer, gedeeld en gelijknamigOngelijke noemers gelijk maken, en breuken keer en gedeeld door elkaar.
    • Breuken met ongelijke noemers
    • Breuken vermenigvuldigen
    • Delen door een breuk
    Vanaf groep 8 · 20
Verhoudingen

Procenten

  1. 1Breuk en procentEen half is 50%, een kwart is 25% — dezelfde strook.
    • Breuk als procent
    • Breuk als kommagetal
    Vanaf groep 6 · 17
  2. 2Procent van een getal10% van 60, 25% van 40 — via tien procent.
    • Procent van een getal
    Vanaf groep 7 · 16
  3. 3Korting berekenenZet 100, 50, 25 en 10 procent op een rij, en zoek het gevraagde bij elkaar.
    • Korting berekenen
    Vanaf groep 7 · 8
Verhoudingen

Kommagetallen

  1. 1KommagetallenPlus, min en keer met tienden en honderdsten.
    • Kommagetallen plus en min
    • Kommagetallen keer
    Vanaf groep 7 · 22
Verhoudingen

Verhoudingen vergelijken

  1. 1Verhoudingen vergelijkenHetzelfde stuk, groter geschreven: 2 op 3 is ook 6 op 9.
    • Verhoudingen vergelijken
    Vanaf groep 6 · 36
  2. 2Breuk, procent en kommagetal1 van de 4 is 1/4 is 0,25 is 25% — steeds dezelfde hoeveelheid.
    • Breuk, procent, kommagetal
    Vanaf groep 7 · 15
Meten & tijd

Lengte

  1. 1LengtematenVan meters naar centimeters en terug — de trap op en af.
    • Lengtematen
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Welke maat past hierbij?Is een deur 2 meter of 2 millimeter? Maatgevoel, vóór het omrekenen.
    • Welke maat past hierbij?
    Vanaf groep 5 · 12
Meten & tijd

Inhoud & gewicht

  1. 1Inhoud en gewichtLiters en grammen: dezelfde trap, andere namen.
    • Inhoudsmaten
    • Gewichtsmaten
    Vanaf groep 7 · 16
Meten & tijd

Geld

  1. 1Geld neerleggenWelke munten en briefjes samen een bedrag maken.
    • Geld neerleggen
    Vanaf groep 4 · 12
  2. 2Rekenen met bedragenBedragen bij elkaar, en een prijs keer een aantal.
    • Bedragen optellen
    • Prijs keer aantal
    Vanaf groep 5 · 22
  3. 3TeruggevenWat je terugkrijgt van 5, 10, 20 en 50.
    • Teruggeven van 5 en 10
    • Teruggeven van 20 en 50
    Vanaf groep 6 · 16
Meten & tijd

Klok & tijd

  1. 1KlokkijkenHele en halve uren, en de kwartieren.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    Vanaf groep 3 · 72
  2. 2De klok op de minuutVijf over half, tien voor drie — de klok op de minuut.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    • Klok: op de minuut
    • Klok zetten: op de minuut
    Vanaf groep 5 · 108
  3. 3Hoe lang duurt hetVan het ene tijdstip naar het andere — hoeveel minuten zit daartussen.
    • Hoe lang duurt het
    Vanaf groep 5 · 15
  4. 4Eeuwen, jaren, weken en secondenElke tijdstap heeft zijn eigen maat — en de maanden erbij.
    • Tijd omrekenen
    • De maanden van het jaar
    Vanaf groep 5 · 38
  5. 5De 24-uursklokOp het station staat 19:00 en op je pols zeven uur. Hoe je van de een naar de ander komt.
    • De 24-uursklok
    Vanaf groep 6 · 22
Meten & tijd

Meetkunde

  1. 1Omtrek en oppervlakteHoe lang is de lijn eromheen, en hoeveel vierkantjes passen erop?
    • Omtrek van een rechthoek
    • Oppervlakte van een rechthoek
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Driehoek en inhoudDe helft van een rechthoek, en hoeveel kubusjes er in een balk passen.
    • Oppervlakte van een driehoek
    • Inhoud van een balk
    Vanaf groep 7 · 12
  3. 3De cirkelOmtrek en oppervlakte met π — en het verschil tussen die twee.
    • Omtrek van een cirkel
    • Oppervlakte van een cirkel
    Vanaf groep 8 · 12
  4. 4Vierkante en kubieke matenBij m² stap je met honderd tegelijk, bij m³ met duizend. En 1 dm³ is 1 liter.
    • Vierkante maten
    • Kubieke maten
    Vanaf groep 7 · 14

Alles

  1. 1De hele leerlijnVan vrienden van tien tot delen met rest — alles.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Splitsen tot twintig
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    • Dubbelen en helften
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    • Sprongen van tien en één
    • +93
    Vanaf groep 8 · 1202

Beginnen kan meteen

Kies een vak, maak een account voor jezelf en zet je kind erin. Daarna is het aan hem. Bij elkaar twee minuten, zonder installatie en zonder betaalgegevens.