Oefenen
De leerlijnen
Alles wat de vijf apps oefenen, in de volgorde waarin ze het oefenen. Deze pagina is geen beschrijving maar een uitdraai: hij komt uit dezelfde bestanden waar de app zijn vragen uit haalt.
rekenen uit je hoofd
Rekenen
55 treden · 105 blokken · 1202 feiten
Getallen
Plus & min
- 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
- Vrienden van tien
- Splitsen tot tien
- Terugrekenen tot tien
- Plus tot tien
- Min tot tien
- 2Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
- Dubbelen en helften
- 3Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
- Splitsen tot twintig
- Plus tot twintig
- Min tot twintig
- 4Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
- Plus over de tien
- Min over de tien
- 5Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
- Sprongen van tien en één
- Plus tot honderd
- Min tot honderd
- Aanvullen tot een tiental
- 6Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
- Plus over het tiental
- Min over het tiental
- 7Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
- Plus met tientallen én eenheden
- Min met tientallen én eenheden
- 8Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
- Plus tot duizend
- Min tot duizend
- Verschil: doortellen
- 9Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
- Plus met grote getallen
- Min met grote getallen
Getallen
Keer & delen
- 1De eerste tafels1, 2, 10 en 5 — de tafels waar je de rest uit afleidt.
- Tafel van 1
- Tafel van 2
- Tafel van 10
- Tafel van 5
- 2De tafels van 3 en 4Via herhaald optellen en via dubbelen: 4 × 6 is het dubbele van 2 × 6.
- Tafel van 3
- Tafel van 4
- 3De moeilijke tafels6, 7, 8 en 9 — de tafels die je uit de makkelijke haalt.
- Tafel van 6
- Tafel van 7
- Tafel van 8
- Tafel van 9
- 4De eerste deeltafelsDelen door 2, 10, 5, 3 en 4 — het omgekeerde van de tafels die je kent.
- Deeltafel van 2
- Deeltafel van 10
- Deeltafel van 5
- Deeltafel van 3
- Deeltafel van 4
- 5De moeilijke deeltafelsDelen door 6, 7, 8 en 9.
- Deeltafel van 6
- Deeltafel van 7
- Deeltafel van 8
- Deeltafel van 9
- 6Keer én delen door elkaarAlle tafels en deeltafels, in één rij door elkaar.
- Tafel van 1
- Tafel van 2
- Tafel van 10
- Tafel van 5
- Tafel van 3
- Tafel van 4
- Tafel van 6
- Tafel van 7
- Tafel van 8
- Tafel van 9
- Deeltafel van 2
- Deeltafel van 10
- +7
- 7Keer een groter getalSplits het getal in tientallen en eenheden: 3 × 67 is 180 + 21.
- Keer een groter getal
- 8Grote tafelsDe tafels van 11, 12, 20, 25 en 50.
- Grote tafels
- 9TientaltafelsKeer met tientallen en honderdtallen: 3 × 60, 100 × 14.
- Tientaltafels
- 10Verder met delenDelen met tientallen, delen door te splitsen, en delen met rest.
- Delen met tientallen
- Delen door te splitsen
- Delen met rest
Getallen
Cijferen
- 1Cijferend optellen en aftrekkenDe som onder elkaar, met onthouden en lenen.
- Cijferend optellen
- Cijferend aftrekken
- 2Cijferend keer en de staartdelingTwee regels onder elkaar, en de deling hap voor hap.
- Cijferend vermenigvuldigen
- De staartdeling
Verhaalsommen
Welke som hoort erbij?
- 1Welke som hoort erbij?Samen, eraf, per stuk, verdeeld over — het woord verklapt de som.
- Welke som hoort erbij?
Verhaalsommen
Plus & min in een verhaal
- 1Verhaalsommen: plus en minEen som die in een verhaal verstopt zit. Lees, zoek de getallen, zoek het woord.
- Verhaalsommen: plus en min
Verhaalsommen
Keer & delen in een verhaal
- 1Verhaalsommen: keer en delenPer stuk, in elke doos, verdeeld over — en dan uitrekenen.
- Verhaalsommen: keer en delen
- 2Verhaalsommen in twee stappenEerst het totaal uitrekenen, dan pas de vraag beantwoorden.
- Verhaalsommen in twee stappen
Verhaalsommen
Meten in een verhaal
- 1Verhaalsommen met matenMeters naar centimeters, kilo naar gram — de maattrap in een verhaal.
- Verhaalsommen met maten
Verhaalsommen
Geld en tijd in een verhaal
- 1Verhaalsommen met geldWat kost het samen, en hoeveel krijg je terug?
- Verhaalsommen met geld
- 2Verhaalsommen met tijdHoe lang duurt het samen, en hoeveel blijft er over?
- Verhaalsommen met tijd
Verhaalsommen
Verhoudingen in een verhaal
- 1Verhaalsommen met verhoudingenPer kilometer, per stuk — van één naar veel en weer terug.
- Verhaalsommen met verhoudingen
Verhoudingen
Breuken
- 1Breuken herkennenWelk deel is gekleurd? Je schrijft de breuk zelf op.
- Breuken benoemen
- 2Deel van een geheelDe helft, een kwart, een tiende — van een getal.
- Breuken benoemen
- Deel van een geheel
- 3Breuken vereenvoudigen, optellen en aftrekken2/4 is 1/2, 7/4 is 1¾, en 1/4 + 2/4 is 3/4.
- Breuken vereenvoudigen
- Helen eruit halen
- Breuken optellen
- Breuken aftrekken
- 4Breuken keer, gedeeld en gelijknamigOngelijke noemers gelijk maken, en breuken keer en gedeeld door elkaar.
- Breuken met ongelijke noemers
- Breuken vermenigvuldigen
- Delen door een breuk
Verhoudingen
Procenten
- 1Breuk en procentEen half is 50%, een kwart is 25% — dezelfde strook.
- Breuk als procent
- Breuk als kommagetal
- 2Procent van een getal10% van 60, 25% van 40 — via tien procent.
- Procent van een getal
- 3Korting berekenenZet 100, 50, 25 en 10 procent op een rij, en zoek het gevraagde bij elkaar.
- Korting berekenen
Verhoudingen
Kommagetallen
- 1KommagetallenPlus, min en keer met tienden en honderdsten.
- Kommagetallen plus en min
- Kommagetallen keer
Verhoudingen
Verhoudingen vergelijken
- 1Verhoudingen vergelijkenHetzelfde stuk, groter geschreven: 2 op 3 is ook 6 op 9.
- Verhoudingen vergelijken
- 2Breuk, procent en kommagetal1 van de 4 is 1/4 is 0,25 is 25% — steeds dezelfde hoeveelheid.
- Breuk, procent, kommagetal
Meten & tijd
Lengte
- 1LengtematenVan meters naar centimeters en terug — de trap op en af.
- Lengtematen
- 2Welke maat past hierbij?Is een deur 2 meter of 2 millimeter? Maatgevoel, vóór het omrekenen.
- Welke maat past hierbij?
Meten & tijd
Inhoud & gewicht
- 1Inhoud en gewichtLiters en grammen: dezelfde trap, andere namen.
- Inhoudsmaten
- Gewichtsmaten
Meten & tijd
Geld
- 1Geld neerleggenWelke munten en briefjes samen een bedrag maken.
- Geld neerleggen
- 2Rekenen met bedragenBedragen bij elkaar, en een prijs keer een aantal.
- Bedragen optellen
- Prijs keer aantal
- 3TeruggevenWat je terugkrijgt van 5, 10, 20 en 50.
- Teruggeven van 5 en 10
- Teruggeven van 20 en 50
Meten & tijd
Klok & tijd
- 1KlokkijkenHele en halve uren, en de kwartieren.
- Klok: hele en halve uren
- Klok zetten: hele en halve uren
- Klok: kwartieren
- Klok zetten: kwartieren
- 2De klok op de minuutVijf over half, tien voor drie — de klok op de minuut.
- Klok: hele en halve uren
- Klok zetten: hele en halve uren
- Klok: kwartieren
- Klok zetten: kwartieren
- Klok: op de minuut
- Klok zetten: op de minuut
- 3Hoe lang duurt hetVan het ene tijdstip naar het andere — hoeveel minuten zit daartussen.
- Hoe lang duurt het
- 4Eeuwen, jaren, weken en secondenElke tijdstap heeft zijn eigen maat — en de maanden erbij.
- Tijd omrekenen
- De maanden van het jaar
- 5De 24-uursklokOp het station staat 19:00 en op je pols zeven uur. Hoe je van de een naar de ander komt.
- De 24-uursklok
Meten & tijd
Meetkunde
- 1Omtrek en oppervlakteHoe lang is de lijn eromheen, en hoeveel vierkantjes passen erop?
- Omtrek van een rechthoek
- Oppervlakte van een rechthoek
- 2Driehoek en inhoudDe helft van een rechthoek, en hoeveel kubusjes er in een balk passen.
- Oppervlakte van een driehoek
- Inhoud van een balk
- 3De cirkelOmtrek en oppervlakte met π — en het verschil tussen die twee.
- Omtrek van een cirkel
- Oppervlakte van een cirkel
- 4Vierkante en kubieke matenBij m² stap je met honderd tegelijk, bij m³ met duizend. En 1 dm³ is 1 liter.
- Vierkante maten
- Kubieke maten
Alles
- 1De hele leerlijnVan vrienden van tien tot delen met rest — alles.
- Vrienden van tien
- Splitsen tot tien
- Splitsen tot twintig
- Terugrekenen tot tien
- Plus tot tien
- Min tot tien
- Dubbelen en helften
- Plus tot twintig
- Min tot twintig
- Plus over de tien
- Min over de tien
- Sprongen van tien en één
- +93
werkwoordspelling
Spelling
19 treden · 43 blokken · 424 feiten
Woorden die je kunt horen
Hakken en luisteren
- 1Woorden die je kunt horenHak het woord in klanken en schrijf op wat je hoort. Voor wie net begint.
- Hak het woord in klanken
- Ng of nk?
- Aai, ooi of oei?
- Eer, oor of eur?
- Eeuw, ieuw of uw?
Woorden met een regel
Kort of lang
- 1Kort of langBomen of bommen: één medeklinker of twee, afhankelijk van de klank.
- Eén of twee medeklinkers?
Woorden met een regel
Verkleinwoorden
- 1VerkleinwoordenHuisje, boompje, mannetje: welke staart hoort bij welk woord?
- Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
- Verkleinwoorden: -etje of -kje
Woorden met een regel
Verlengen
- 1Maak het woord langerHand of hant, snelheid of snelheit: verleng het woord en je hoort het.
- Eindigt het op d of t?
- Eindigt het op b of p?
- Eindigt het op f of v, s of z?
- Eindigt het op -heid?
Woorden met een regel
Voorvoegsels
- 1Be-, ge-, ver- en ont-De doffe klank vooraan schrijf je met een e. Altijd.
- Be-, ge-, ver- of ont-?
Woorden met een regel
Meervoud
- 1Meervoud: 's en tremaAuto's met een apostrof, zeeën met twee puntjes — allebei om verkeerd lezen te voorkomen.
- Meervoud met 's
- Het trema
Woorden met een regel
Samenstellingen
- 1Twee woorden aan elkaarPannenkoek, stationsplein, zee-egel: wat komt er tussen die twee woorden?
- Samenstellingen met tussen-n
- Samenstellingen met tussen-s
- Het koppelteken
Woorden om te onthouden
Klanken die hetzelfde klinken
- 1Ei of ij, au of ouKlanken die precies hetzelfde klinken. Hier helpt geen regel, alleen kijken.
- Ei of ij?
- Au of ou?
- 2Cht of gtHet licht en hij ligt: een ding of een werkwoord, en dat scheelt een letter.
- Cht of gt?
- 3G of chLachen of laggen: precies dezelfde klank, twee schrijfwijzen.
- G of ch?
Woorden om te onthouden
Uit een andere taal
- 1Woorden uit een andere taalDe c van cirkel, de -tie van politie, de g van garage: kijken en onthouden.
- De c: als s of als k?
- De i die als ie klinkt
- Eindigt het op -tie?
- Woorden uit een andere taal
- De Griekse y
Woorden om te onthouden
Doffe staarten
- 1Staarten die dof klinken-ig of -lijk, en -isch dat als "ies" klinkt.
- -ig of -lijk?
- Eindigt het op -isch?
- 2Staarten met -te, -de of -enHoogte of hoogde, wollen of wolle: staarten die je nauwelijks hoort.
- Woorden op -eren, -elen of -enen
- Eindigt het op -te of -de?
- Waar is het van gemaakt?
Woorden om te onthouden
Klanken die er niet staan
- 1Klanken die er niet staanJe zegt "wurum" en "bavijaan" — maar die u en die j schrijf je niet.
- De klank die je hoort maar niet schrijft
- De j en de w die je niet schrijft
Werkwoorden
Werkwoordregels
- 1Tegenwoordige tijdDe ik-vorm, de hij-vorm met -t, de dt-regel en jij achter het werkwoord.
- Tegenwoordige tijd: ik-vorm
- Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
- De dt-regel
- Jij achter het werkwoord
- 2Verleden en voltooid't Kofschip, het voltooid deelwoord met -t of -d, en de verwarring ertussen.
- Verleden tijd: 't kofschip
- Voltooid deelwoord: -t of -d
- Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
- 3Sterke werkwoordenDe onregelmatige werkwoorden in verleden tijd en voltooid deelwoord.
- Sterke werkwoorden: verleden tijd
- Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
- 4Alle werkwoordregelsVan de ik-vorm tot de sterke werkwoorden.
- Tegenwoordige tijd: ik-vorm
- Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
- De dt-regel
- Jij achter het werkwoord
- Verleden tijd: 't kofschip
- Voltooid deelwoord: -t of -d
- Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
- Sterke werkwoorden: verleden tijd
- Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
Alles
- 1Alle spellingVan kort-of-lang tot de sterke werkwoorden — alles door elkaar.
- Hak het woord in klanken
- Ng of nk?
- Aai, ooi of oei?
- Eer, oor of eur?
- Eeuw, ieuw of uw?
- Eén of twee medeklinkers?
- Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
- Eindigt het op d of t?
- Eindigt het op b of p?
- Eindigt het op f of v, s of z?
- Ei of ij?
- Au of ou?
- +31
topografie
Topografie
11 treden · 7 blokken · 136 feiten
Nederland
Provincies
- 1De provinciesDe twaalf provincies van Nederland, van Groningen tot Limburg.
- Provincies van Nederland
- 2Heel NederlandDe provincies en de grote steden door elkaar.
- Provincies van Nederland
- Steden van Nederland
Nederland
Steden
- 1De grote stedenTwintig steden van Nederland, met de Randstad als houvast.
- Steden van Nederland
Europa
Landen
- 1De landen van EuropaZevenendertig landen, vanaf Nederland naar buiten toe.
- Landen van Europa
- 2Heel EuropaDe landen van Europa en hun hoofdsteden.
- Landen van Europa
- Hoofdsteden van Europa
Europa
Hoofdsteden
- 1De hoofdstedenBij elk land van Europa de stad waar het bestuurd wordt.
- Hoofdsteden van Europa
De wereld
Werelddelen & oceanen
- 1De werelddelenZes vlakken die de hele wereld verdelen, van Afrika tot Oceanië.
- De werelddelen
- 2De oceanenHet water tussen de werelddelen: vijf oceanen om aan te wijzen.
- De oceanen
- 3Werelddelen en oceanenDe grote vlakken van de wereld, land en water door elkaar.
- De werelddelen
- De oceanen
De wereld
Landen van de wereld
- 1Landen van de wereldVierentwintig landen die je overal tegenkomt, van Canada tot Japan.
- Landen van de wereld
Alles
- 1Alle kaartenVan de provincies van Nederland tot de landen van de wereld.
- Provincies van Nederland
- Steden van Nederland
- Landen van Europa
- Hoofdsteden van Europa
- De werelddelen
- De oceanen
- Landen van de wereld
taal
Taal
14 treden · 31 blokken · 250 feiten
Woorden
Woordsoorten
- 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Het bijvoeglijk naamwoord
- 2Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het telwoord
- 3De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- 4Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
- Het bijwoord
- Het tussenwerpsel
Woorden
Werkwoorden in de zin
- 1De persoonsvormDe vraagproef, het hele gezegde, en het werkwoord dat in tweeën breekt.
- De persoonsvorm
- Alle werkwoorden samen
- Het werkwoord in tweeën
Zinnen
Zinsdelen
- 1Onderwerp en gezegdeWie of wat doet het? De eerste vraag die je aan elke zin stelt.
- Het onderwerp
- 2Lijdend en meewerkend voorwerpWat gebeurt er, en aan wie? De twee voorwerpen in een zin.
- Het lijdend voorwerp
- Het meewerkend voorwerp
- 3Bepalingen van tijd en plaatsWanneer gebeurt het, en waar?
- De bepaling van tijd
- De bepaling van plaats
Zinnen
Samengestelde zinnen
- 1Twee zinnen aan elkaarHet voegwoord dat twee stukken zin verbindt: en, maar, want, omdat.
- Het voegwoord
Taal gebruiken
Hoofdletters
- 1HoofdlettersWelk woord is een naam? Van mensen en landen tot winkels en achternamen.
- De hoofdletter
- Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
- Hoofdletters bij achternamen
Taal gebruiken
Leestekens
- 1Punt, vraagteken en kommaVertel je iets, vraag je iets of roep je iets? En waar houdt het ene stuk zin op?
- Het teken aan het eind
- De komma
- 2Iemand laten sprekenDe dubbele punt, de aanhalingstekens en de haakjes: hoe je iemand citeert en iets extra toevoegt.
- De dubbele punt
- Aanhalingstekens
- Haakjes
Taal gebruiken
Goed gezegd
- 1Die of dat, als of danDe drie die volwassenen ook fout doen: die/dat, als/dan, hun/hen.
- Die of dat?
- Als of dan?
- Hun, hen of zij?
Alles
- 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Het bijvoeglijk naamwoord
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- Het bijwoord
- Het tussenwerpsel
- Het telwoord
- De persoonsvorm
- +19
blind typen
Typen
12 treden · 23 blokken · 130 feiten
De letters
De thuisrij
- 1De bultjesf, j en de spatie, en daarna d en k. Waar je handen liggen.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- 2De hele thuisrijAlle acht de toetsen waar je vingers op rusten, plus g en h.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- s en l — je ringvingers
- a en ; — je pinken
- g en h — naar binnen reiken
- De thuisrij door elkaar
De letters
De bovenrij
- 1Naar boven reikene, i, r, u, t en y — één rij omhoog en telkens weer terug.
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- 2De hele bovenrijMet w, o, q en p erbij ken je de tien toetsen van de bovenrij.
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- w en o — ringvingers omhoog
- q en p — de hoeken bovenin
- Thuisrij en bovenrij door elkaar
De letters
De onderrij
- 1Naar beneden reikenv, m, b en n — de vier onderste toetsen van je wijsvingers.
- v en m — één rij omlaag
- b en n — naar binnen en omlaag
- 2De hele onderrijMet c, x en z erbij ken je alle zesentwintig letters.
- v en m — één rij omlaag
- b en n — naar binnen en omlaag
- c en , — middelvingers omlaag
- x en . — ringvingers omlaag
- z en / — de hoeken onderin
- Alle letters door elkaar
Meer dan letters
Hoofdletters
- 1Shift met je andere handEen hoofdletter maken zonder je handen van de thuisrij te halen.
- Hoofdletters
Meer dan letters
Leestekens
- 1Vraagteken en apostrofDe tekens waar je pink voor naar buiten reikt.
- Leestekens
Meer dan letters
Cijfers
- 1De cijferrijTwee rijen omhoog, elke vinger in zijn eigen kolom.
- De cijferrij
Vloeiend typen
Woorden
- 1Langere woordenHele woorden in één beweging, niet meer letter voor letter.
- Langere woorden
Vloeiend typen
Zinnen
- 1Zinnen typenDoortypen over de spatie heen, met hoofdletter en punt.
- Zinnen typen
Alles
- 1Blind typenAlles door elkaar: letters, tekens, cijfers, woorden en zinnen.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- s en l — je ringvingers
- a en ; — je pinken
- g en h — naar binnen reiken
- De thuisrij door elkaar
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- w en o — ringvingers omhoog
- q en p — de hoeken bovenin
- Thuisrij en bovenrij door elkaar
- +11
Elke stap hierboven is een echt startpunt in de app. Je kind kiest er een, en de starttoets zet het daarna op de goede hoogte.