Naamwoordelijk gezegde
Je leert het naamwoordelijk gezegde vinden: een koppelwerkwoord samen met een woord dat de eigenschap noemt.
Zo doe je de proef
- Zoek het koppelwerkwoord: zijn, worden, blijven, blijken of lijken.
- Zoek daarna het woord dat zegt wat of hoe het onderwerp is.
- Die woorden vormen samen het naamwoordelijk gezegde.
De zin in zinsdelen
onderwerpZijwie of wat + pv?
persoonsvormismaak er een vraag van
rest van het gezegdede winnaarhoort bij de pv
Een voorbeeld, uitgewerkt
Wijs het naamwoordelijk gezegde aan: De soep is heet.
- Zoek het werkwoord: is.
- Dit is een koppelwerkwoord van zijn.
- Zoek het woord dat zegt hoe de soep is: heet.
- Het naamwoordelijk gezegde is: is heet.
Nog meer voorbeelden
Wijs het naamwoordelijk gezegde aan: Mijn tante werd burgemeester.
- Zoek het koppelwerkwoord: werd.
- Zoek het woord dat noemt wat zij werd: burgemeester.
- Het naamwoordelijk gezegde is werd burgemeester.
Wijs het naamwoordelijk gezegde aan: De oude boom blijft groen.
- Zoek het koppelwerkwoord: blijft.
- Zoek de toestand van de boom: groen.
- Het naamwoordelijk gezegde is blijft groen.
Zelf proberen
Onderstreep het naamwoordelijk gezegde.
De is heet.
Onderstreep het naamwoordelijk gezegde.
Het bleek .
Let op
Je wijst alleen het koppelwerkwoord aan en vergeet de eigenschap.
Het naamwoordelijk gezegde bestaat altijd uit het werkwoord én het deel dat de eigenschap noemt.
Tips
- De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, blijken en lijken.
Waarom het werkt
Niet elke zin vertelt wat iemand doet; sommige zinnen vertellen wat of hoe iemand is. Het koppelwerkwoord verbindt het onderwerp met die toestand of eigenschap.